23-08-09

Spieren van het menselijk lichaam

anatomie spieren

Het menselijk lichaam telt meer dan zeshonderd spieren, met ieder een eigen functie. Sommige spieren zorgen voor de voortbeweging, andere zijn betrokken bij bijvoorbeeld de ademhaling, de hartslag of de spijsvertering.

Skeletspieren maken ongeveer veertig procent van het lichaamsgewicht uit en geven samen met botten en huid de vorm aan het lichaam.

De skeletspieren (dwarsgestreepte spieren) zijn aan de uiteinden door middel van pezen aan de beweegbare beenderen verbonden. Zij zorgen ervoor dat de gewrichten kunnen bewegen. Ze bestaan uit spiervezels en kunnen zich samentrekken. Als de spier zich spant, wordt deze korter en trekt aan de pees, waardoor het bot beweegt. Wanneer deze spieren overbelast worden, ontstaat er spierpijn.

Spieren hebben energie nodig om samen te trekken of korter te worden. Deze korter makende bewegingen leveren de kracht die nodig is om trekkracht op botten uit te oefenen, en voor het maken van een breed scala van lichaamsbewegingen, van hardlopen tot glimlachen. Spieren handhaven ook de lichaamshouding en stabiliseren de gewrichten. Door de warmte die bij spiersamentrekkingen als bijproduct wordt afgegeven, blijft het lichaam warm.

Spieren zitten overal, zelfs in de ogen en de huid, en ook het hart is een spier. Iedere beweging die een lichaam maakt, van een knipoog tot een reuzensprong, wordt gemaakt met spieren. Dat geldt ook voor de bewegingen binnenin het lichaam, zoals de hartslag en het voortduwen van voedsel door de darmen. Zonder spieren zouden we geen vin kunnen verroeren.

Als een spier zich spant, wordt die korter en dikker. Bij het korter worden, trekt de spier aan de lichaamsdelen waaraan ze bevestigd is. De grote spier achter aan de achterkant van het bovenbeen bijvoorbeeld zit met de bovenkant vast aan het heupbeen en met de onderkant aan het scheenbeen.
Wanneer die spier zich korter maakt door te spannen, trekt ze aan het scheenbeen, waardoor de knie zich buigt.
Spieren kunnen alleen maar trekken. Ze kunnen niet duwen. Als de grote spier in het dijbeen zich ontspant, wordt ze slap. Deze spier kan het been niet weer recht duwen. Daarvoor moet de spier aan de vóórkant van het dij zich spannen. Die trekt dan aan de voorkant van het scheenbeen en maakt het been weer recht. Heel wat spieren in het lichaam werken op deze manier in paren. De ene spier trekt een lichaamsdeel de ene kant op, de andere trekt het weer terug.

De meeste spieren in het lichaam worden na verloop van tijd moe. De hele dag houden de nekspieren het hoofd overeind. De kaakspieren openen en sluiten de mond, en de ooglidspieren openen en sluiten de ogen en knipperen met de oogleden. Bij vermoeidheid, beginnen de spieren vanzelf te verslappen. Het hoofd knikt voorover, de mond zakt open en de ogen vallen dicht.

De spieren die de armen, benen, gezicht, hoofd en lichaam bewegen zijn 'willekeurige' spieren. Dit betekent dat ze alleen maar werken als iemand dat wil. Vaak moet er goed nagedacht worden welke spieren voor een bepaald karwei nodig zijn, bijvoorbeeld als een kind leert fietsen en het tegelijkertijd moet leren te trappen, te sturen en het evenwicht te bewaren. Pas na veel oefening kan men willekeurige spieren gebruiken zonder er steeds bij na te denken.

Het hart is eigenlijk één grote speciale spier, de hartspier. Iedere keer dat de hartspier samentrekt, wordt er bloed uit het hart geperst. Dat samentrekken is te horen en dat noemen we de hartslag. De hartspier werkt dag en nacht en wordt nooit moe.

De ingewanden en andere organen zijn deels opgebouwd uit 'onwillekeurige' spieren. Die heten zo, omdat ze automatisch hun werk doen.

Gepost in Fysiologie |

19-12-05

Rugschool, enkele tips

Als er iets opgetild en/of verplaatst moet worden, respecteer dan deze elementaire tiltechnieken:
  • U neemt een houding aan warbij u goed uw evenwicht kunt bewaren.
  • u brengt de tillen last zo dicht mogelijk bij uw lichaam of het lichaam zo dicht mogelijk bij de te tillen last.
  • U houdt de rug 'recht'en vergrendelt de wervelzuil.
  • U tilt vanuit de benen.
  • U vermijdt het draaien va uw romp tijdens de tilbeweging.
Neem bij het tillen en verplaatsen van lasten een houding aan waarbij het evenwicht goed bewaard kan worden. Een mens kan slechts in evenwicht blijven wanneer het zwaartepunt van het lichaam samen met de last binnen het steunvlak valt (het lichaams zwaartepunt ligt ergens in het bekken ter hoogte van de navel). Het steunval is het gebied op de grond, tussen uw voeten. Wanneer u uw steunvlak vergroot, zult u minder snel uw evenwicht verliezen.
Om zich goed te kunnen voorstellen wat er eingelijk in de rug gebeurt, kunt u uw rug vergelijken met een hefboom, waarbij het steunpunt ergens in de tussenwervelschijven ligt en waarbij kracht geleverd wordt door de rugspieren.
De last (die de rugspieren moeten tegenhouden) wordt gevord door:
  • Het gewicht van het bovenlichaam zelf bij vooroverbuigen en
  • De last die de persoon vasthoudt met de handen.
Het grote nadeel van de hefboom in de rug is dat de afstand van de rugspieren tot het steunpunt zeer klein is ten opzichte van de lastarm. Er moet dus veel kracht gezet worden met een erg korte hefboomarm, hetgeen zou neerkomen op het gebruik van een koevoet om iets los te maken, die maar bijvoorbeeld 20 cm lang zou zijn. Daardoor moeten de rugspieren zeer hoge klachten leveren wanneer gewoonweg de romp vooroverbuigt, zelfs zonder dat iets in de handen wordt gehouden.
Door de lastarm te beperken kan de belasting van de rug zo klein mogelijk worden gemaakt. Dit kan gedaan worden door:
  • Het voorwerp zo dicht mogelijk tegen het lichaam te tillen of te dragen.
  • Rekening houden met de vorm van de last.
Bij grote, onhandige voorwerpen zal bij het zwaartepunt van de last verder van het lichaam liggen. Omdat de lastarm dus groter wordt, zullen de rugspieren meer arbeid moeten leveren.
De druk in de kern van de tussenwervelschijf neemt enorm toe bij een voorovergebogen romphouding, bijvoorbeeld tijdens staan en bij zittend werken. Wanneer u voorovergebogen staat met een vooroverhellende romp, zonder enig gewicht in de handen, is de druk in de tussenwervelschijf de helft groter dan bij gewoon rechtop staan.
Reeds eerder werd opgemerkt dat bij een voorovergebogen staan met een vooroverhellende romp, met een groot gewicht in de handen, dit de druk in de tussenwervelschijf ook groter maakt, met als gevolg een zwaardere belasting van de ringen en een grotere kans op beschadiging. Niet alleen verhogen de krachten in de rug wanner de rug voorovergebogen wordt, de tussenwervelschijf wordt bovendien anders belast. De inwerkende krachten worden bij vooroverbuigen namelijk niet gelijkmatig verdeeld over de gehele oppervlakte van de schijf.
Vooral het voorste gedeelte van de tussenwervelschijf wordt dan onder hoge druk gezet en de geleiachtige kern wordt in een wigvorm gedwongen. Zijn de achterste ringen dan verzwakt, dan is er het gevaar dat de kern de ringen doorbreekt en gaat uitpuilen. Neem dus steeds een houding aan waarbij u uw evenwicht goed kan bewaren. Houd uw rug recht door het bekken te kantelen. Span vervolgens de buikspieren aan en houd uw adem in. Dit laatste is het 'vergrendelen' van de wervelzuil.
Voor meer info over rugschool ga naar Rugschool & Rughygiëne.

Gepost in Fysiologie |

Ontstaan van rugklachten

Eén van de belangrijkste oorzaken in het ontstaan van rugpijnen is een dagelijks “misbruik van de rug” in plaats van een een verantwoord gebruik van die rug.

Dagelijkse activiteiten zoals verkeerd tillen, langdurig zitten of (gebogen) staan kunnen leiden tot mechanische rugklachten.

Belangrijk hierbij is het onevenwicht tussen de belasting die men oplegt aan zijn rug en de fysieke belastingsgraad ervan.

* belasting: is onder andere afhankelijk van het te tillen gewicht, de duurtijd, de til-frequentie, de werkhouding, de aan- of afwezigheid van hulpmiddelen, de ergonomische lay-out van de werkpost, …

* belastingsgraad: een fit persoon kan een hogere fysieke belasting aan;

factoren die de belastingsgraad positief beïnvloeden: athletisch persoon, regelmatige afwisselende bewegingen, goed slaapsysteem (bed & matras), voldoende nachtrust, …

factoren die de belastingsgraad negatief beïnvloeden: bewegingsarmoede, onaangepast schoeisel of kledij, roken (slechtere voeding van de discus), stress, zwangerschap, depressie, obesitas, hogere leeftijd (osteoporose), …

Onder aspecifieke rugpijn verstaan we rugklachten die dikwijls terugkomen en afhankelijk zijn van de activiteiten van de rugpatiënt. Ze komen vaker voor bij mensen met een voortdurend zittend of staand beroep (secretaressen, vrachtwagenbestuurders, bandwerkers, …) en personen die frequent moeten tillen (verpleegkundigen, ...).

De oorzaak van deze rugklachten is soms moeilijk te achterhalen. Is het te wijten aan de werkbelasting? Langdurig ongunstige werkhouding? Onvoldoende recuperatie? Mineure aandoeningen in de discus? Problematiek met de facetgewrichten?

Ook onjuiste sportbeoefening en fitness onder slechte begeleiding kunnen leiden tot rug-klachten.

Een trauma (=ongeval) kan een primaire oorzaak van rugpijn zijn. In geval van een zwaar ongeval zal dit leiden tot instabiliteit van de rug, soms gepaard gaande met verlammings-verschijnselen in de onderste (paraplegie) of in de vier ledematen (quadriplegie). Operatief ingrijpen en/of revalidatie kan hier (deels) een oplossing bieden.

Frequenter zijn de herhaalde kleine beschadigingen (= microtraumata) die leiden tot chronische rugpijnen.

Niet mechanische rugpijn kan zijn oorzaak vinden in een ziekte elders in het lichaam. Bekend is dat gynecologische stoornissen (menstruatiepijnen, endometriose, baar-moederhalskanker,…), nierklachten, spijsverteringsaandoeningen, tumoren in de buikholte of bepaalde infecties (oa. tbc) kunnen leiden tot low back pain (LBP).

Een uitsluitings-diagnose moet door een arts gesteld worden. Dit onderwerp valt buiten het opzet van deze website.

Meer informatie omtrent dit onderwerp kan u vinden op Rugschool & Rughygiëne.

Gepost in Fysiologie |

Anatomie van de rug

De rug bestaat uit de wervelzuil, het ruggenmerg met de zenuwwortels, de spieren en gewrichtsbanden.

De wervelzuil bestaat uit 24 wervels plus het heiligbeen en het staartbeen. Men heeft 7 halswervels of cervicale wervels, 12 borstwervels of dorsale wervels (met de ribben) en 5 lendenwervels of lumbale wervels. Onderaan heeft men aan elkaar vastgegroeide wervels die het heiligbeen (=sacrum) & het staartbeen (coccix) vormen.

wervelkolom 3

De wervelzuil steunt op het heiligbeen dat vast zit aan het bekken. Elke beweging van het bekken, met het daaraan vastzittende heiligbeen veroorzaakt dus ook een bewegingsverandering in de wervelkolom.

Als je naar de rug kijkt langs voor of langs achter dan kan je zien dat de wervels mooi recht op elkaar gestapeld zijn, bij een afwijking spreekt men van een scoliose. Bekijk je de rug van opzij dan kan men 3 natuurlijke krommingen noteren:

* in de nek is deze hol (cervicale lordose)

* ter hoogte van de schouderbladen is deze bol (dorsale kyfose)

* in de lenden is deze hol (lumbale lordose)

Om rugpijn te voorkomen moeten deze optimale krommingen in alle omstandigheden behouden blijven (tijdens gaan, staan, zitten, slapen, ..).

Meer informatie over de anatomie van de rug vindt u op Rugschool & Rughygiëne.

Gepost in Fysiologie |